Koester
Zoals je daar zo eenzaam staat
je handen leeg je ogen neer
geslagen
door de harde vuist van zwaar verlies.
In het diepste diep van troebel water
zie je ogen glinsteren,
weerkaatsing van warme zonnestralen
over je haren, je wangen
over koud verdriet.
Met open handen zal je zwaaien
met lange passen zal je gaan
en verscholen onder je jas
op je naakte huid,
blijven dragen je kind
altijd.
