Soms is het heel moeilijk om de juiste woorden te vinden om te praten over het gemis en het verdriet om een kind(je) dat er niet meer is. Zeker de zoektocht naar mooie, troostende tekstjes is vaak moeilijk.
Soms kunnen ook de tekstjes en gedichten van lotgenoten je inspireren.
Daarom geven we hier aan iedereen de kans om zelf een gedichtje in te sturen als troost voor jezelf en voor elkaar.
We kijken alle gedichtjes even handmatig na, dus geef ons daarvoor even tijd.
Je was er,
maar tegelijk ook niet.
Je werd geboren,
maar dat vieren
konden we alleen met verdriet.
En elk jaar opnieuw
zullen we ons afvragen:
Wie was je nu geweest?
Hoe mooi, hoe groot?
Hoe wonderlijk bijzonderlijk?
Nee, je verjaardag vieren,
dat kun jij niet.
Niet met toeters die joelen,
niet met taart die smakt,
niet met cadeautjes op je schoot.
Maar je verjaart wel, o jawel!
Je bent zelfs, in al je stilte,
jariger dan wij.
Wat in vruchtwater groeide,
maar niet volgroeide,
wat vroegtijdig vervloeide,
is daarom niet weg.
Want groeien
doen mensen niet alleen
in lichamen.
Wie in gedachten voortleeft,
kan ook tot iets moois uitgroeien.
Iets groots zelfs.
Een mens kan er vol van zijn.
Je verdween. Voorgoed.
En per ongeluk …
Het voelt zo onwaarschijnlijk.
Als ging het om een domme schrijffout,
een vergissing die we elk moment
nog kunnen rechtzetten.
Maar wat dood is,
is niet meer te herschrijven,
alleen nog te herlezen.
Lieve jongen,
wat zullen we jou zo vaak nog
met liefde herlezen.
En weet je wat?
We doen de punt
aan het eind weer weg.
Zo eindig je nooit.
Het leven
hebben we maar voor even.
Dat dachten we al,
dat weten we nu.
Klein was je, veel te klein nog.
Leven dat nog leven moest,
nauwelijks te leven kreeg.
En we vragen ons af:
waarom jij zo weinig,
waarom wij zo veel?
En we worden kwaad.
Gooien met woede in ons hoofd.
Dag engeltje, dag bengeltje,
zullen we van die woede in ons hoofd
nu toch maar een liedje neuriën?
Voor jou?
Klein als jij nog was,
zijn onze woorden nu.
We weten niet wat te zeggen,
wat te denken,
nauwelijks wat te voelen.
Met lege ogen staren we naar elkaar,
stamelen verdriet.
Maar het helpt niet. Nog niet.
Klein nog was jouw hart,
groot wilde het worden,
zou het ooit zijn.
Dat hoopten we.
Maar het hield op,
zoals jij echter nooit.
Je krijgt nu ons hart,
woont ruimer dan tevoren.
En straks,
als we dat ook kunnen geloven,
zullen we zeggen,
telkens ons hart even opspringt:
Kijk, onze kleine meid,
ze danst weer in onszelf
Mijn ster
Terwijl een traan over mijn wangen rolt
en een koele bries mij zachtjes en lieftallig streelt
tuur ik gefocust in het pikkedonker van de nacht
naar dat oneindig weidse zwart van de sterrenhemel.
Nooit laat ik los, nooit nooit nooit.
Tussen al die sterren fonkelt hij,
nee, schittert hij, weet ik, zie ik, besef ik.
Mijn sterrenkindje is daarboven en zoekt mij.
Piep, juicht hij in mijn verbeelding
als ik doe alsof ik hem niet zie
en acteer hem wanhopig te zoeken.
Hij schaterlacht met mijn gespeelde vertwijfeling.
De bengel verstopt zich gretig tussen de poten van het meubilair
tot ik hem te pakken krijg en hij jubelt om er te mogen zijn.
Dat had het moeten zijn, had het leven me beloofd.
Wij met zijn tweetjes lekker stoeiend, soms heerlijk ondeugend.
Het leven lachte ons toe, absoluut.
Maar … die afgrijselijke maar …
Nu jongleer ik radeloos met mijn gevoelens.
Een nieuw leven, een droom en plots blijft alleen die stilte achter.
Mijn verlangen naar hem en onze toekomst is uiteengespat en sloopt mijn gemoed.
Mijn verdriet om het gemis knaagt aan mij, houdt mij gevangen.
De leegte zonder hem is als een onmetelijke diepte,
een mateloos zwart gat waar ik soms dreig in te vallen.
De natuur is oogverblindend mooi in zijn grootsheid en rijkdom,
maar bij wijlen ook zo onmeedogend wreed en vernietigend.
Het is bijzonder lastig dat te moeten aanvaarden.
Maar de liefde overwint, we blijven innig verbonden,
sterk, intens toegewijd en blijvend in een hechte band.
Het staat in de sterren geschreven.
Wij zijn één, jij en ik, geborgen in onze tederheid.
Berustend wacht ik even tot een zwaar wolkendek,
die al die tintelende sterren kortstondig en warm kwam toedekken,
wijkt, en ik, tot mijn grote vreugde,
die fantastisch mooie stralende ster oppik
die het donkere firmament doorboort, voor mij, vooral voor mij.
Piep, hoor ik nogmaals, piep.
Ja, hij is er, zeker weten, ik heb het gehoord.
De bengel, mijn engel, verstopt zich nu
als een pientere kwajongen tussen de sterren.
Maar ik vind hem.
Hij mag dan wel verstoppertje spelen, maar verdwijnen?
Nee, dat nooit of te nimmer.
Dat glinsterende sterretje ginder zo ver weg maar toch dicht bij mij
straalt heerlijk tot diep in mijn hart.
Mijn sterrenkindje is er en blijft er voor altijd.
Hij verheugt me en geeft me hoop en
zin en betekenis aan mijn leven,
door te beseffen dat wat ik doe er toe doet voor mij en een ander.
Hij doet mijn tranen opdrogen, haalt me weg uit mijn smart,
geeft me de kracht om verder te leven en daar dankbaar om te zijn
en het mooie in de wereld en het leven te ontdekken en intens te beleven.
Opnieuw en opnieuw zonder opgeven,
hartstochtelijk en moedig,
voor hem.
Ivan Ipskamps
Mijn ster
Terwijl een traan over mijn wangen rolt
en een koele bries mij zachtjes en lieftallig streelt
tuur ik gefocust in het pikkedonker van de nacht
naar dat oneindig weidse zwart van de sterrenhemel.
Nooit laat ik los, nooit nooit nooit.
Tussen al die sterren fonkelt hij,
nee, schittert hij, weet ik, zie ik, besef ik.
Mijn sterrenkindje is daarboven en zoekt mij.
Piep, juicht hij in mijn verbeelding
als ik doe alsof ik hem niet zie
en acteer hem wanhopig te zoeken.
Hij schaterlacht met mijn gespeelde vertwijfeling.
De bengel verstopt zich gretig tussen de poten van het meubilair
tot ik hem te pakken krijg en hij jubelt om er te mogen zijn.
Dat had het moeten zijn, had het leven me beloofd.
Wij met zijn tweetjes lekker stoeiend, soms heerlijk ondeugend.
Het leven lachte ons toe, absoluut.
Maar … die afgrijselijke maar …
Nu jongleer ik radeloos met mijn gevoelens.
Een nieuw leven, een droom en plots blijft alleen die stilte achter.
Mijn verlangen naar hem en onze toekomst is uiteengespat en sloopt mijn gemoed.
Mijn verdriet om het gemis knaagt aan mij, houdt mij gevangen.
De leeft zonder hem is als een onmetelijke diepte,
een mateloos zwart gat waar ik soms dreig in te vallen.
De natuur is oogverblindend mooi in zijn grootsheid en rijkdom,
maar bij wijlen ook zo onmeedogend wreed en vernietigend.
Het is bijzonder lastig dat te moeten aanvaarden.
Maar de liefde overwint, we blijven innig verbonden,
sterk, intens toegewijd en blijvend in een hechte band.
Het staat in de sterren geschreven.
Wij zijn één, jij en ik, geborgen in onze tederheid.
Berustend wacht ik even tot een zwaar wolkendek,
die al die tintelende sterren kortstondig en warm kwam toedekken,
wijkt, en ik, tot mijn grote vreugde,
die fantastisch mooie stralende ster oppik
die het donkere firmanent doorboort, voor mij, vooral voor mij.
Piep, hoor ik nogmaals, piep.
Ja, hij is er, zeker weten, ik heb het gehoord.
De bengel, mijn engel, verstopt zich nu
als een pientere kwajongen tussen de sterren.
Maar ik vind hem.
Hij mag dan wel verstoppertje spelen, maar verdwijnen?
Nee, dat nooit of te nimmer.
Dat glinsterende sterretje ginder zo ver weg maar toch dicht bij mij
straalt heerlijk tot diep in mijn hart.
Mijn sterrenkindje is er en blijft er voor altijd.
Hij verheugt me en geeft me hoop en
zin en betekenis aan mijn leven,
door te beseffen dat wat ik doe er toe doet voor mij en een ander.
Hij doet mijn tranen opdrogen, haalt me weg uit mijn smart,
geeft me de kracht om verder te leven en daar dankbaar om te zijn
en het mooie in de wereld en het leven te ontdekken en intens te beleven.
Opnieuw en opnieuw zonder opgeven,
hartstochtelijk en moedig,
voor hem.
Ivan Ipskamps
8420
Wenduine
Van bij de eerste tel verrijkte je ons palet met nieuwe kleuren,
tinten die ons, vol bewondering, tot trotse ouders maakten.
Magische avonturen werden algauw om je heen geweven,
en jouw dromen zacht fluisterend tot leven gewekt.
En in al die rijkdom laten we je, in liefde,
vandaag zachtjes gaan,
lieve Anne,
Weet dat jij voor altijd
in onze kleuren zal blijven bestaan.
Mama, Papa
Ze worden gemist, al het kleins dat, in en uit, onze buiken niet groot kon worden.
Al het leven dat wij in ons vrouwenlichaam veel te kort bij ons hebben mogen dragen.
Alles wat al zo goed in ons leven paste, maar hier nooit, of maar even, mocht zijn.
In alle warmte en zachtheid, getekend door angst en verdriet.
Waar liefde en verbondenheid, vanaf het allereerste bestaan, in onze harten worden gedragen.
Ze worden gemist.
Doordat jij jouw ogen sloot, zijn de mijne geopend
Jij hebt mij laten zien dat het leven niet vanzelfsprekend is
Dat je kunt zijn zonder te leven
Dat je kunt zien zonder te kijken
Jij hebt mij laten zien wat onvoorwaardelijke liefde is
Dat liefde altijd overwint
Doordat jouw lichaam niet meer ademde, kreeg ik lucht
Jij hebt mij laten zien dat het leven zin heeft
Dat je kunt lachen als je huilt
Dat je kunt spelen als je lijdt
Jij hebt mij laten zien dat het altijd weer zomer wordt
Dat de tijd altijd doorgaat
Doordat jij bent weggegaan, zijn wij gebleven
Jij hebt mij laten zien dat alles voorbestemd is
Dat je kunt vliegen zonder vleugels
Dat je kunt ademen zonder lucht
Jij hebt mij laten zien dat jij alles al wist
Dat de zon altijd schijnt
Je bent overal waar ik ga.
Ik voel je zo dichtbij en tegelijk zo veraf.
Denken aan jou lach doet mijn ogen overstromen van tranen.
Jouw intense liefde vulde ooit mijn hele hart, nu voelt het als een pijnlijk groot zwart gat.
Je was, je bent en zal altijd mijn alles zijn. Eens het zonnetje in huis, nu mijn mooie volle maan.
Ik hoop dat je ooit licht zal brengen in deze duisternis.
Aanwezig
Zo aanwezig in mijn hart en leven
immens afwezig
tezelfdertijd
Hoe bruusk jouw leven eindigt
de wereld kantelt
een voor en na
Verbonden
boven tijd en ruimte
en diep verdrietig –
had ik je maar wat langer gekend
Zoeken
hoe de kwetsbaarheid van het
bestaan omarmen
Kan ik ik het leven vieren
– kostbaar, om jou te eren?
Kiezen
voor het leven en liefde
boven donker en angst
dat is jouw geschenk aan mij
In de luwte van de tranenstorm
Terwijl verdriet diep vanbinnen onzichtbaar verder raast
Wanneer het leven hervat, de klok steeds
verder tikt
En de tijd toch stil blijft staan
Zodra men zegt: het ergste is voorbij
Maar je jouw verhaal nog duizend keer
vertellen wou
Dan zeg ik
Ik ben hier voor jou
Hoe leef ik verder?
zonder moeder,
zonder parel van een dochter?
Mijn wortels reiken, zoeken
blind naar mijn moeder
Mijn ogen turen naar de hemel,
rusteloos …
Op zoek naar die ene
schitterende ster …
Hoe zou het zijn?
Hoe zou ze zijn geworden?
Hoe zou onze moeder-dochterband zich verder ontvouwen?
Tussen wortels en sterren sta ik stil,
Verweesd.
Als een boom die een
belangrijke tak mist…
Hoe kan ik nog groeien?
Hoe kan ik nog hoopvol naar de zon reiken?
Hoe kan ik nog vrucht dragen
en zachte lommerte bieden
aan wie ik liefheb?
En toch, heel stil, groeide er
nieuw leven in de schaduw
van gemis
De afgelopen 10 jaar leerden
mijn bladeren hoe ze weer
licht konden vangen.
Vier kleine kerels werden groot
Hun ogen vol leven
Hun hart kloppend
op het ritme van de toekomst
Een lieve man aan mijn zijde,
en samen
groeien we verder
Soms fluistert de aarde …
Dagelijks antwoordt de nacht.
En even, heel even
lijkt alles één adem.
Dankbaar voor wat was.
Dankbaar voor wat is.
Dankbaar voor wat nog komen zal.
een rups
een cocon
een vlinder
anders
een droom
haar schoot
onze armen
anders dan
wij, bomen in een bos
bliksemschicht, gespleten hout
wij, dezelfde bomen
anders
een fladderende vlinder
ontkiemde kleurenpracht
een herinnering
slechts een herinnering
liefde
blijvende liefde
anders dan voorheen
Mijmerend lig ik in het lange gras.
Ik denk aan wie ik was,
Voordat ik jou verloor,
En mijn wereld helemaal bevroor.
In de verte hoor ik bijengezoem.
Langs mij zie ik een paardenbloem.
Een metamorfose is dichtbij.
Ook al vullen angsten mij.
Zullen ze ooit uit m’n gedachten verdwijnen?
Zal de zon ooit het juiste pad beschijnen?
Zal ik ooit een doorbraak kennen?
Of blijf ik van de waarheid rennen?
Dit is het lot wat mij is toebedeeld.
Dan vraag ik aan mijn spiegelbeeld,
Wanneer voel ik me weer mens?
Op papier schrijf ik mijn wens.
Een briefje met een keurig vouwtje
Door mijn vingers glijdt een touwtje.
Een ballon eraan geknoopt.
En een boodschap die op antwoord hoopt. Helemaal tot aan de maan.
Voor altijd van ons heengegaan.
Paolo,Ti parlo spesso, lo sai. con il cuore. ti cerco nel vento,e mi sembra che il vento risponda con la tua voce.Hai lasciato un vuoto, sì…ma anche una forza che non sapevo di avere.Cammino con la tua mano invisibile nella mia.Mi spinge avanti quando tremo,mi consola quando il cuore vacilla.E ogni volta che sorrido,sento che anche tu sorridi con me, da lassù.Non ti vedo, ma ti riconosco in tutto.In un raggio di sole, in un profumo, in un ricordo che scalda il cuore.Tu sei il mio angelo,perché continui a tenermi la mano anche da un cielo che non è poi così distante.TI AMERÒ PER SEMPRE,PICCOLO CAMPIONE DI ZIA.
Vandaag is weer een dag verder van, de moment dat ik je in mijn armen mocht houden.
Een dag verder van kijken naar hoe mooi je bent,
en weer beseffen dat dit straks het laatste is van een herinnering die ik neerpen.
Voelen dat mama zijn ook heel pijnlijk is, want voor je het weet is niets nog hoe je dacht dat het zou zijn.
Enkel nog leegte en pijn.
Ik vlieg naar je toe iedere avond in mijn gedachten en geef je een dikke knuffel en een zoen, want verder is er niets meer dat ik voor mezelf kan doen.
Dan je meedragen iedere dag, tot we elkaar weer tegen komen na die verschrikkelijk moeilijke dag.
Ooit waren we dikke vrienden,
enfin, dat dacht ik toch.
We waren close,
enfin, dat dacht ik toch.
En plots…
plots keerde het tij:
je wilde me niet meer kennen,
je wilde me niet meer met me praten,
je wilde me niet meer zien…
Vanwaar die ommekeer?
Het doet me pijn,
enorm veel pijn.
En toch ga ik verder,
niet voor mezelf maar voor jouw kinderen.
Mijn diepste verlangen
Hoe je
In alle stilte
Zoveel kon doen bewegen
Me hebt meegenomen
Naar een plek
Waar ik niet wou zijn
Maar wel moest
Om jou te zien schijnen
Me leerde opnieuw ademen
Hoewel ik niets liever wou
Dan jouw adem zijn.
Tijd
Er is een tijd van troost
van verbondenheid
van samenzijn
van zachte nabijheid
Met Noah