MIJN STER
Mijn ster
Terwijl een traan over mijn wangen rolt
en een koele bries mij zachtjes en lieftallig streelt
tuur ik gefocust in het pikkedonker van de nacht
naar dat oneindig weidse zwart van de sterrenhemel.
Nooit laat ik los, nooit nooit nooit.
Tussen al die sterren fonkelt hij,
nee, schittert hij, weet ik, zie ik, besef ik.
Mijn sterrenkindje is daarboven en zoekt mij.
Piep, juicht hij in mijn verbeelding
als ik doe alsof ik hem niet zie
en acteer hem wanhopig te zoeken.
Hij schaterlacht met mijn gespeelde vertwijfeling.
De bengel verstopt zich gretig tussen de poten van het meubilair
tot ik hem te pakken krijg en hij jubelt om er te mogen zijn.
Dat had het moeten zijn, had het leven me beloofd.
Wij met zijn tweetjes lekker stoeiend, soms heerlijk ondeugend.
Het leven lachte ons toe, absoluut.
Maar … die afgrijselijke maar …
Nu jongleer ik radeloos met mijn gevoelens.
Een nieuw leven, een droom en plots blijft alleen die stilte achter.
Mijn verlangen naar hem en onze toekomst is uiteengespat en sloopt mijn gemoed.
Mijn verdriet om het gemis knaagt aan mij, houdt mij gevangen.
De leegte zonder hem is als een onmetelijke diepte,
een mateloos zwart gat waar ik soms dreig in te vallen.
De natuur is oogverblindend mooi in zijn grootsheid en rijkdom,
maar bij wijlen ook zo onmeedogend wreed en vernietigend.
Het is bijzonder lastig dat te moeten aanvaarden.
Maar de liefde overwint, we blijven innig verbonden,
sterk, intens toegewijd en blijvend in een hechte band.
Het staat in de sterren geschreven.
Wij zijn één, jij en ik, geborgen in onze tederheid.
Berustend wacht ik even tot een zwaar wolkendek,
die al die tintelende sterren kortstondig en warm kwam toedekken,
wijkt, en ik, tot mijn grote vreugde,
die fantastisch mooie stralende ster oppik
die het donkere firmament doorboort, voor mij, vooral voor mij.
Piep, hoor ik nogmaals, piep.
Ja, hij is er, zeker weten, ik heb het gehoord.
De bengel, mijn engel, verstopt zich nu
als een pientere kwajongen tussen de sterren.
Maar ik vind hem.
Hij mag dan wel verstoppertje spelen, maar verdwijnen?
Nee, dat nooit of te nimmer.
Dat glinsterende sterretje ginder zo ver weg maar toch dicht bij mij
straalt heerlijk tot diep in mijn hart.
Mijn sterrenkindje is er en blijft er voor altijd.
Hij verheugt me en geeft me hoop en
zin en betekenis aan mijn leven,
door te beseffen dat wat ik doe er toe doet voor mij en een ander.
Hij doet mijn tranen opdrogen, haalt me weg uit mijn smart,
geeft me de kracht om verder te leven en daar dankbaar om te zijn
en het mooie in de wereld en het leven te ontdekken en intens te beleven.
Opnieuw en opnieuw zonder opgeven,
hartstochtelijk en moedig,
voor hem.
Ivan Ipskamps
Mijn ster
Terwijl een traan over mijn wangen rolt
en een koele bries mij zachtjes en lieftallig streelt
tuur ik gefocust in het pikkedonker van de nacht
naar dat oneindig weidse zwart van de sterrenhemel.
Nooit laat ik los, nooit nooit nooit.
Tussen al die sterren fonkelt hij,
nee, schittert hij, weet ik, zie ik, besef ik.
Mijn sterrenkindje is daarboven en zoekt mij.
Piep, juicht hij in mijn verbeelding
als ik doe alsof ik hem niet zie
en acteer hem wanhopig te zoeken.
Hij schaterlacht met mijn gespeelde vertwijfeling.
De bengel verstopt zich gretig tussen de poten van het meubilair
tot ik hem te pakken krijg en hij jubelt om er te mogen zijn.
Dat had het moeten zijn, had het leven me beloofd.
Wij met zijn tweetjes lekker stoeiend, soms heerlijk ondeugend.
Het leven lachte ons toe, absoluut.
Maar … die afgrijselijke maar …
Nu jongleer ik radeloos met mijn gevoelens.
Een nieuw leven, een droom en plots blijft alleen die stilte achter.
Mijn verlangen naar hem en onze toekomst is uiteengespat en sloopt mijn gemoed.
Mijn verdriet om het gemis knaagt aan mij, houdt mij gevangen.
De leeft zonder hem is als een onmetelijke diepte,
een mateloos zwart gat waar ik soms dreig in te vallen.
De natuur is oogverblindend mooi in zijn grootsheid en rijkdom,
maar bij wijlen ook zo onmeedogend wreed en vernietigend.
Het is bijzonder lastig dat te moeten aanvaarden.
Maar de liefde overwint, we blijven innig verbonden,
sterk, intens toegewijd en blijvend in een hechte band.
Het staat in de sterren geschreven.
Wij zijn één, jij en ik, geborgen in onze tederheid.
Berustend wacht ik even tot een zwaar wolkendek,
die al die tintelende sterren kortstondig en warm kwam toedekken,
wijkt, en ik, tot mijn grote vreugde,
die fantastisch mooie stralende ster oppik
die het donkere firmanent doorboort, voor mij, vooral voor mij.
Piep, hoor ik nogmaals, piep.
Ja, hij is er, zeker weten, ik heb het gehoord.
De bengel, mijn engel, verstopt zich nu
als een pientere kwajongen tussen de sterren.
Maar ik vind hem.
Hij mag dan wel verstoppertje spelen, maar verdwijnen?
Nee, dat nooit of te nimmer.
Dat glinsterende sterretje ginder zo ver weg maar toch dicht bij mij
straalt heerlijk tot diep in mijn hart.
Mijn sterrenkindje is er en blijft er voor altijd.
Hij verheugt me en geeft me hoop en
zin en betekenis aan mijn leven,
door te beseffen dat wat ik doe er toe doet voor mij en een ander.
Hij doet mijn tranen opdrogen, haalt me weg uit mijn smart,
geeft me de kracht om verder te leven en daar dankbaar om te zijn
en het mooie in de wereld en het leven te ontdekken en intens te beleven.
Opnieuw en opnieuw zonder opgeven,
hartstochtelijk en moedig,
voor hem.
Ivan Ipskamps
8420
Wenduine
